Biophilic design met kunstplanten: wat werkt en wat niet

Biophilic design is overal, en meestal betekent het: er komen planten. Maar telt het nog als het groen niet leeft? Het eerlijke antwoord, inclusief de delen die niet in ons voordeel werken.

Biophilic design is in twee jaar tijd van vakterm naar plakwoord gegaan. Het staat in offertes, in aanbestedingen, in de eerste alinea van elk interieurvoorstel. Meestal betekent het: er komen planten.

Dat is jammer, want het begrip is preciezer dan dat. En er zit een vraag onder die in ons vak niemand hardop stelt, terwijl iedereen hem heeft: telt het nog als het groen niet leeft?

Wij werken met zijde. Dan is dat geen academische vraag maar de kern van het gesprek.

 

 

Waar het woord vandaan komt

Biophilia is Grieks samengesteld: bio, leven, en philia, genegenheid. Liefde voor het levende, letterlijk.

De psycholoog Erich Fromm introduceerde het begrip in 1964, als tegenpool van necrofilie. Bij hem ging het nog helemaal niet over natuur of gebouwen, maar over een levenshouding. Twintig jaar later gaf bioloog Edward O. Wilson het de betekenis die wij nu gebruiken: een aangeboren neiging om ons te richten op leven én op wat op leven lijkt.

Dat laatste is belangrijk. Wilson schreef niet “leven”. Hij schreef “leven en levensachtige processen”.

 

Meer dan planten neerzetten

Het standaardwerk in dit vak onderscheidt veertien patronen van biophilic design, verdeeld over drie categorieën:

  1. Natuur in de ruimte: echte natuur die je ziet en voelt. Zicht op groen, water, luchtstroming, daglicht dat beweegt.
  2. Natuurlijke analogieën: verwijzingen naar natuur. Organische vormen, natuurlijke materialen, patronen die complex zijn maar geordend.
  3. De aard van de ruimte: hoe een ruimte zich gedraagt. Overzicht en beschutting, mysterie, een doorkijk die je verder trekt.

Planten zijn een strategie voor één van de veertien patronen. Er zijn er dertien andere. Het raamwerk zelf heeft bovendien een hele categorie ingeruimd voor natuur die niet leeft. Dat is geen achterdeur die wij openzetten. Dat staat er.

En het sluit naadloos aan op waar wij al sinds 1983 in geloven: groen is geen decoratie, maar het fundament van een ruimte. Iets wat je mist als het er niet is, maar voelt als het er wel is.

 

De najaarstrends zijn biophilic, ook zonder plant

 Kijk met dat raamwerk naar wat er nu gebeurt in interieurland, en de trends vallen bijna allemaal in een patroon.

Kleur binnen één familie: chocolade naast latte, mos naast mint, terra naast aubergine. Dat is variatie binnen een systeem, precies zoals een bosbodem werkt. Rijke texturen naast elkaar, hard materiaal dat verzacht wordt: de materiaalverbinding met natuur. Ronde vormen in plaats van rechte, van gebogen plantenbakken tot geboetseerde meubels: het brein verwerkt hoekige vormen als licht bedreigend en gebogen vormen als veilig. En de gelaagde opbouw die de urban jungle vervangt, van massa naar compositie.

Van deze vier trends heeft er precies één een levende plant nodig. En zelfs die niet per se.

 

 

Wat kunstgroen niet kan

 Nu het deel dat je zelden leest bij een leverancier van kunstgroen.

 

  1. Luchtzuivering: laat dat argument staan. Dit is de claim die het vaakst gemaakt wordt en die het slechtst standhoudt, ook voor echte planten. Het beroemde NASA-onderzoek werd gedaan in kleine, afgesloten kamers zonder ventilatie. Latere doorrekening laat zien dat je tientallen tot honderden planten per vierkante meter nodig hebt om te evenaren wat normale luchtverversing al doet. Onze zijden planten zuiveren geen lucht. Levende planten op kantoor ook niet. Wie dat als verkoopargument gebruikt, verkoopt lucht.
  2. Geur ontbreekt. De geur van aarde na water geven, van eucalyptus, van naaldhout: dat is een echt zintuiglijk kanaal, en zijde heeft het niet.
  3. Groei en verandering ontbreken. Een echte plant zet nieuw blad, buigt naar het licht, verandert met het seizoen. Zijde staat stil. Op dag één is dat de belofte. Het is ook de beperking.
  4. Aanraking is het zwakke punt. Je loopt naar iets moois toe, raakt het aan, merkt dat het niet leeft en trekt je hand terug. Het brein sorteert levend van niet-levend vrijwel onmiddellijk. Daarom werken wij met de hand en niet uit een doos: kwaliteit die de aanraking overleeft. Maar het is een oplossing voor een echt probleem, geen ontkenning ervan.

 

Wat zijde wél doet

 En toch is het antwoord op de openingsvraag geen nee.

 

De vakliteratuur formuleert het als een rangorde, niet als een tweedeling: echte natuur boven gesimuleerde natuur, en gesimuleerde natuur boven geen natuur. Een verwijzing naar natuur werkt meetbaar beter dan helemaal niets.

Daarnaast is er het argument dat in de praktijk het zwaarst weegt: er is niets treurigers dan een rij dode potplanten of een mislukte groenwand. Groen dat het niet redt, doet meer schade aan een ruimte dan geen groen. En er zijn plekken waar levend groen het simpelweg niet redt:

  1. Donkere zones zonder daglicht, en ruimtes waar de luchtbehandeling de lucht te droog maakt voor levend blad.
  2. Hoogtes boven de vier meter, waar niemand veilig bij kan om water te geven.
  3. Hygiëne- en veiligheidszones: de zorg, de foodsector, en publieke ruimtes met brandveiligheidseisen.
  4. Ketens die op twaalf locaties dezelfde uitstraling willen, in maart en in november.

 

Op die plekken is de keuze niet tussen echt en zijde. Hij is tussen zijde en niets.

 

 

Vier vragen voordat je iets tekent

 Zo komen wij tot een voorstel. Deze vragen gaan vooraf aan de plantenlijst, niet erna.

 

  1. Waar valt het licht, en hoe beweegt het over de dag? Dat bepaalt niet alleen wat leeft, maar ook welke bladvorm het licht draagt.
  2. Wat is het aanraakbereik? Binnen een meter van een looproute of een zitplek stellen we andere eisen dan op vier meter hoogte. Dit is de vraag die het vaakst wordt overgeslagen.
  3. Waar zit de gelaagdheid en waar de rust? Een compositie heeft een drager, een middenlaag en een accent nodig. Overal even veel groen is hetzelfde als nergens groen.
  4. Welke kleurfamilie moet het groen verbinden? Vloer, meubel en wand zitten al in een familie. Groen dat daarbuiten valt, leest als decoratie.

Vier vragen die niets kosten, en die het verschil maken tussen een ruimte die klopt en een ruimte met planten erin.

Geïnspireerd?

Kom langs en vertel ons over jouw idee. De koffie staat klaar.
Neem contact op